bevestigen has 156 translations in 14 languages

translations of bevestigen

NLENEnglish24 translations
NLESSpanish19 translations
  • afirmar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, verzekeren, waarheid, antwoord]
  • declarar(v)[informatie, waarheid, verzekeren, officieel verklaren, confirmeren, baan, antwoord]
  • alegar(v)[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • sostener(v)[verzekeren, waarheid, officieel verklaren, confirmeren, antwoord, baan, informatie]
  • fijar(v)[vastmaken]
  • adjuntar(v)[aanhechten]
  • añadir(v)[aanhechten]
  • mantener(v)[verzekeren, waarheid, officieel verklaren, informatie, confirmeren, baan, antwoord]
  • atestiguar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • sujetar(v)[vastmaken]
  • atar(v)[vastmaken]
  • confirmar(v)[baan, waarheid, verzekeren, to assure, informatie, officieel verklaren, confirmeren]
  • corroborar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, verzekeren, waarheid]
  • certificar(v)[baan, waarheid, verzekeren, officieel verklaren, informatie, confirmeren, antwoord]
  • garantizar(v)[waarheid, officieel verklaren, informatie, baan, confirmeren]
  • atestar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • establecer(v)[To prove and cause to be accepted as true; to establish a fact; to demonstrate]
  • ratificar(v)[confirmeren, waarheid, officieel verklaren, informatie, baan]
  • testificar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
NLFRFrench17 translations
  • lier[vastmaken]
  • affirmer[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • soutenir[antwoord, support, verzekeren, waarheid]
  • maintenir[antwoord, verzekeren]
  • joindre[aanhechten]
  • attacher[aanhechten, vastmaken]
  • apposer[aanhechten]
  • attester[informatie, waarheid, officieel verklaren, confirmeren, baan]
  • assurer[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • fixer[vastmaken]
  • confirmer[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, to assure, verzekeren, waarheid]
  • corroborer[confirmeren, waarheid, verzekeren, informatie, baan, officieel verklaren]
  • certifier[waarheid, verzekeren, officieel verklaren, informatie, confirmeren, baan]
  • garantir[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • se porter garant[confirmeren, waarheid, officieel verklaren, informatie, baan]
  • approuver[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, support, waarheid]
  • ratifier[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
NLDEGerman20 translations
NLITItalian19 translations
  • legare(v)[vastmaken]
  • affermare(v)[antwoord, waarheid, verzekeren]
  • dichiarare(v)[antwoord, baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, verzekeren, waarheid]
  • accettare(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • attaccare(v)[vastmaken]
  • aggiungere(v)[aanhechten]
  • apporre(v)[aanhechten]
  • approvare(v)[confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid, baan]
  • fissare(v)[vastmaken]
  • sostenere(v)[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • assicurare(v)[baan, waarheid, officieel verklaren, informatie, confirmeren]
  • confermare(v)[waarheid, verzekeren, informatie, to assure, confirmeren, officieel verklaren, baan]
  • convalidare(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, verzekeren, waarheid]
  • attestare(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • garantire(v)[waarheid, officieel verklaren, informatie, confirmeren, baan]
  • asserire(v)[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • certificare(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • ratificare(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • ammanigliare(v n)[to tie a line]
NLPTPortuguese21 translations
  • incluir(v)[aanhechten]
  • afirmar(v)[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • confirmar(v)[officieel verklaren, waarheid, verzekeren, to assure, informatie, confirmeren, baan, antwoord]
  • afixar(v)[aanhechten]
  • ligar(v)[vastmaken]
  • juntar(v)[aanhechten]
  • aprovar(v)[officieel verklaren, waarheid, informatie, baan, confirmeren]
  • assegurar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • sustentar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, verzekeren, waarheid]
  • amarrar(v)[vastmaken]
  • atar(v)[vastmaken]
  • fixar(v)[vastmaken]
  • corroborar(v)[verzekeren, waarheid, confirmeren, informatie, baan, officieel verklaren]
  • certificar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • garantir(v)[confirmeren, waarheid, officieel verklaren, informatie, baan]
  • declarar firmemente(v)[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • atestar(v)[baan, waarheid, officieel verklaren, informatie, confirmeren]
  • ratificar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • sancionar(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • estabelecer(v)[To prove and cause to be accepted as true; to establish a fact; to demonstrate]
  • endossar(v)[support]
NLSVSwedish22 translations
  • försäkra(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, to assure, verzekeren, waarheid, antwoord]
  • bedyra(v)[verzekeren, waarheid, antwoord]
  • affirmera(v)[antwoord, verzekeren]
  • vidhänga(v)[aanhechten]
  • fästa(v)[aanhechten, vastmaken]
  • foga(v)[aanhechten]
  • godkänna(v)[waarheid, officieel verklaren, confirmeren, baan, informatie]
  • stödja(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, support, verzekeren, waarheid]
  • hävda(v)[waarheid, verzekeren, antwoord]
  • sätta fast(v)[vastmaken]
  • understödja(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, verzekeren, waarheid]
  • bekräfta(v)[baan, waarheid, verzekeren, to assure, informatie, confirmeren, officieel verklaren]
  • bestyrka(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, verzekeren, waarheid]
  • intyga(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • garantera(v)[waarheid, officieel verklaren, confirmeren, baan, informatie]
  • bestämt påstå(v)[antwoord, verzekeren, waarheid]
  • befästa(v)[waarheid, officieel verklaren, informatie, confirmeren, baan]
  • bifalla(v)[baan, confirmeren, informatie, officieel verklaren, waarheid]
  • binda(v n)[to tie a line]
  • konfirmera(v)[to assure]
  • stå bakom(v)[support]
  • ställa sig bakom(v)[support]
NLCSCzech1 translation
NLPLPolish2 translations
  • potwierdzać(v)[to assure]
  • ustalić(v)[To prove and cause to be accepted as true; to establish a fact; to demonstrate]
NLBGBulgarian3 translations
NLHUHungarian1 translation
NLRURussian5 translations
NLZHChinese1 translation
  • 證實(v)[To prove and cause to be accepted as true; to establish a fact; to demonstrate](v)
NLJAJapanese1 translation