haar has 105 translations in 18 languages

translations of haar

NLENEnglish6 translations
  • its[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv.]
  • hair[algemeen, lichaam]
  • her[bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv., persoonlijk vnw. - lijdend vw., persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • she
  • hairs
  • their
NLESSpanish9 translations
  • la(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • los(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • las(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • le(o)[persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • cabello(n)[algemeen, lichaam]{m}
  • pelo(n)[lichaam, algemeen]{m}
  • su[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • a ella(o)[persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • sus(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
NLFRFrench12 translations
  • la[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • les[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • poil[algemeen, lichaam]{m}
  • lui[persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • son[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]{m}
  • sa[bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv., bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk.]
  • à elle[persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • ses[bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • poils(mp)
  • chevelure{f}
  • cheveu
  • cheveux
NLDEGerman6 translations
  • sein(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk.]
  • seine(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv.]
  • ihr(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • ihre(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • Haar(n)[algemeen, lichaam]{n}
  • sie(n)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
NLITItalian12 translations
  • la(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • le(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw., persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • il suo(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • la sua(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • lei(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • capello(n)[lichaam, algemeen]{m}
  • pelo(n)[algemeen, lichaam]{m}
  • a lei(o)[persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • i suoi(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • le sue(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • li(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • peli(mp)
NLPTPortuguese17 translations
  • pelo(n)[lichaam, algemeen]{m}
  • seus(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.](mp)
  • os(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • as(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • seu(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • sua(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • la(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • na(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • lhe(o)[persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • ela(o)[persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
  • los(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • las(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • nos(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • nas(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • suas(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • cabelo(n)[algemeen, lichaam]{m}
  • fio de cabelo(n)[algemeen, lichaam]{m}
NLSVSwedish6 translations
  • dess(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - mv.]
  • hår(n)[algemeen, lichaam]{n}
  • hårstrå(n)[algemeen, lichaam]{n}
  • dem(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw.]
  • hennes(a)[bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. enk., bezittelijk bijvoeglijk nw. - vr. mv.]
  • henne(o)[persoonlijk vnw. - lijdend vw., persoonlijk vnw. - meewerkend vw.]
NLCSCzech5 translations
NLPLPolish3 translations
NLDADanish2 translations
NLBGBulgarian2 translations
NLHUHungarian1 translation
NLAFAfrikaans1 translation
NLRURussian4 translations
NLSLSlovenian6 translations
NLZHChinese5 translations
NLHIHindi5 translations
NLVIVietnamese3 translations