aanschaffen has 23 translations in 7 languages

translations of aanschaffen

NL EN English 3 translations
NL ES Spanish 3 translations
NL FR French 3 translations
NL DE German 4 translations
NL IT Italian 4 translations
NL PT Portuguese 3 translations
NL SV Swedish 3 translations
Imperatives and participles
Tegenwoordig en verleden deelwoord aanschaffend
Tegenwoordig en verleden deelwoord aangeschaft
Type ik jij hij/zij/het wij jullie zij
Presens schaf aan schaft aan schaft aan schaffen aan schaffen aan schaffen aan
Imperfect schafte aan schafte aan schafte aan schaften aan schaften aan schaften aan
Toekomende tijd I zal aanschaffen zult aanschaffen zal aanschaffen zullen aanschaffen zullen aanschaffen zullen aanschaffen
Conditionalis I zou aanschaffen zou aanschaffen zou aanschaffen zouden aanschaffen zouden aanschaffen zouden aanschaffen
Perfectum heb aangeschaft hebt aangeschaft heeft aangeschaft hebben aangeschaft hebben aangeschaft hebben aangeschaft
Voltooid verleden tijd had aangeschaft had aangeschaft had aangeschaft hadden aangeschaft hadden aangeschaft hadden aangeschaft
Toekomende tijd II zal aangeschaft hebben zult aangeschaft hebben zal aangeschaft hebben zullen aangeschaft hebben zullen aangeschaft hebben zullen aangeschaft hebben
Conditionalis II zou hebben aangeschaft zou hebben aangeschaft zou hebben aangeschaft zouden hebben aangeschaft zouden hebben aangeschaft zouden hebben aangeschaft
Imperatief - schaf aan - schaft aan -

Full conjugation of aanschaffen

Synonyms for aanschaffen

  1. Meaning: aankopen [v]
    inkopen (p), kopen {n}, verwerven {n}, aanschaffen {n}
  2. Meaning: aankopen [v]
    aanschaffen {n}, afnemen, eigenaar worden, zich verwerven, kopen {n}
  3. Meaning: kopen [v]
  4. Meaning: nemen [v]