Dutch Dutch

weerzien (persoon)

English English

see again (persoon)

German German

wieder sehen (persoon)

French French

revoir (persoon)

Italian Italian

rivedere (persoon)

Spanish Spanish

volver a ver (persoon)

Portuguese Portuguese

rever (persoon)

Swedish Swedish

återse (persoon)


Verb forms of weerzien

- weer
Tegenwoordig en verleden deelwoord weerziend und weergezien

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens zie weer ziet weer ziet weer zien weer zien weer zien weer
Imperfect zag weer zag weer zag weer zagen weer zagen weer zagen weer
Toekomende tijd I zal weerzien zult weerzien zal weerzien zullen weerzien zullen weerzien zullen weerzien
Conditionalis I zou weerzien zou weerzien zou weerzien zouden weerzien zouden weerzien zouden weerzien
Perfectum heb weergezien hebt weergezien heeft weergezien hebben weergezien hebben weergezien hebben weergezien
Voltooid verleden tijd had weergezien had weergezien had weergezien hadden weergezien hadden weergezien hadden weergezien
Toekomende tijd II zal weergezien hebben zult weergezien hebben zal weergezien hebben zullen weergezien hebben zullen weergezien hebben zullen weergezien hebben
Conditionalis II zou hebben weergezien zou hebben weergezien zou hebben weergezien zouden hebben weergezien zouden hebben weergezien zouden hebben weergezien
Imperatief - - - - - -
translation - weerzien translate | Dutch dictionary