vulgariseren
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of vulgariseren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | vulgariserend | und | gevulgariseerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | vulgariseer | vulgariseert | vulgariseert | vulgariseren | vulgariseren | vulgariseren |
| Imperfect | vulgariseerde | vulgariseerde | vulgariseerde | vulgariseerden | vulgariseerden | vulgariseerden |
| Toekomende tijd I | zal vulgariseren | zult vulgariseren | zal vulgariseren | zullen vulgariseren | zullen vulgariseren | zullen vulgariseren |
| Conditionalis I | zou vulgariseren | zou vulgariseren | zou vulgariseren | zouden vulgariseren | zouden vulgariseren | zouden vulgariseren |
| Perfectum | heb gevulgariseerd | hebt gevulgariseerd | heeft gevulgariseerd | hebben gevulgariseerd | hebben gevulgariseerd | hebben gevulgariseerd |
| Voltooid verleden tijd | had gevulgariseerd | had gevulgariseerd | had gevulgariseerd | hadden gevulgariseerd | hadden gevulgariseerd | hadden gevulgariseerd |
| Toekomende tijd II | zal gevulgariseerd hebben | zult gevulgariseerd hebben | zal gevulgariseerd hebben | zullen gevulgariseerd hebben | zullen gevulgariseerd hebben | zullen gevulgariseerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gevulgariseerd | zou hebben gevulgariseerd | zou hebben gevulgariseerd | zouden hebben gevulgariseerd | zouden hebben gevulgariseerd | zouden hebben gevulgariseerd |
| Imperatief | - | vulgariseer | - | - | vulgariseert | - |

