vastleggen
has, 2 synonym groups and 6 synonyms
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of vastleggen
| irr. | vast | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | vastleggend | und | vastgelegd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | leg vast | legt vast | legt vast | leggen vast | leggen vast | leggen vast |
| Imperfect | legde vast | legde vast | legde vast | legden vast | legden vast | legden vast |
| Toekomende tijd I | zal vastleggen | zult vastleggen | zal vastleggen | zullen vastleggen | zullen vastleggen | zullen vastleggen |
| Conditionalis I | zou vastleggen | zou vastleggen | zou vastleggen | zouden vastleggen | zouden vastleggen | zouden vastleggen |
| Perfectum | heb vastgelegd | hebt vastgelegd | heeft vastgelegd | hebben vastgelegd | hebben vastgelegd | hebben vastgelegd |
| Voltooid verleden tijd | had vastgelegd | had vastgelegd | had vastgelegd | hadden vastgelegd | hadden vastgelegd | hadden vastgelegd |
| Toekomende tijd II | zal vastgelegd hebben | zult vastgelegd hebben | zal vastgelegd hebben | zullen vastgelegd hebben | zullen vastgelegd hebben | zullen vastgelegd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben vastgelegd | zou hebben vastgelegd | zou hebben vastgelegd | zouden hebben vastgelegd | zouden hebben vastgelegd | zouden hebben vastgelegd |
| Imperatief | - | leg vast | - | - | legt vast | - |
.: synonyms for vastleggen
vastmaken
afspreken
bepalen, opnemen, optekenen, registreren, stipuleren
All Synonyms for vastleggen
- vastklevend
- vastklinken
- vastknopen
- vastkoeken
- vastkoppelen
vastleggen
- vastliggen
- vastlijmen
- vastlopen
- vastmaken
- vastmeren
- vastnaaien
- vastnagelen
- vastnemen
- vastnieten
- vastomlijnd
- vastpakken
- vastpennen
- vastpinnen
- vastplakken
- vastpraten
- vastprikken
- vastprikken op
- vastraken
- vastredeneren
- vastrijden
- vastroesten
- vastschroeven
- vastsjorren
- vastsnoeren
- vastspelden

