search term:

vastleggen

  has, 2 synonym groups and 6 synonyms

Dutch Dutch

vastleggen (algemeen, overeenkomst, hond, geld, tijd)

English English

appoint (tijd) determine (tijd) embed (algemeen) fix (overeenkomst) fix firmly (algemeen) set (tijd) tie down (hond) tie up (geld)

German German

fest anlegen (geld) festbinden (hond) festlegen (overeenkomst, tijd) festsetzen (algemeen, overeenkomst, tijd)

French French

attacher (hond) caler (algemeen, overeenkomst, tijd) déterminer (algemeen, overeenkomst, tijd) fixer (algemeen, overeenkomst, tijd) immobiliser (geld) préciser (algemeen, overeenkomst, tijd) spécifier (algemeen, overeenkomst, tijd)

Italian Italian

dichiarare (algemeen, overeenkomst, tijd) fissare (algemeen, overeenkomst, tijd) impegnare (geld) indicare (algemeen, overeenkomst, tijd) inzeppare (algemeen, overeenkomst, tijd) legare (hond) rincalzare (algemeen, overeenkomst, tijd) specificare (algemeen, overeenkomst, tijd) stabilire (algemeen, overeenkomst, tijd)

Spanish Spanish

atar (hond) declarar (algemeen, overeenkomst, tijd) determinar (algemeen, overeenkomst, tijd) embutir (algemeen, overeenkomst, tijd) empotrar (algemeen, overeenkomst, tijd) especificar (algemeen, overeenkomst, tijd) establecer (algemeen, overeenkomst, tijd) fijar (algemeen, overeenkomst, tijd) incrustar (algemeen, overeenkomst, tijd) inmovilizar (geld)

Portuguese Portuguese

amarrar (geld) definir (algemeen, overeenkomst, tijd) determinar (algemeen, overeenkomst, tijd) encastoar (algemeen, overeenkomst, tijd) encravar (algemeen, overeenkomst, tijd) engastar (algemeen, overeenkomst, tijd) especificar (algemeen, overeenkomst, tijd) estabelecer (algemeen, overeenkomst, tijd) fixar (algemeen, overeenkomst, tijd) imobilizar (geld) indicar (algemeen, overeenkomst, tijd) marcar (algemeen, overeenkomst, tijd) prender (hond)

Swedish Swedish

bestämma (algemeen, overeenkomst, tijd) binda fast (hond) bädda in (algemeen, overeenkomst, tijd) fastställa (algemeen, overeenkomst, tijd) fastsätta (algemeen, overeenkomst, tijd) låsa (geld) låsa fast (geld)


Verb forms of vastleggen

irr. vast
Tegenwoordig en verleden deelwoord vastleggend und vastgelegd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens leg vast legt vast legt vast leggen vast leggen vast leggen vast
Imperfect legde vast legde vast legde vast legden vast legden vast legden vast
Toekomende tijd I zal vastleggen zult vastleggen zal vastleggen zullen vastleggen zullen vastleggen zullen vastleggen
Conditionalis I zou vastleggen zou vastleggen zou vastleggen zouden vastleggen zouden vastleggen zouden vastleggen
Perfectum heb vastgelegd hebt vastgelegd heeft vastgelegd hebben vastgelegd hebben vastgelegd hebben vastgelegd
Voltooid verleden tijd had vastgelegd had vastgelegd had vastgelegd hadden vastgelegd hadden vastgelegd hadden vastgelegd
Toekomende tijd II zal vastgelegd hebben zult vastgelegd hebben zal vastgelegd hebben zullen vastgelegd hebben zullen vastgelegd hebben zullen vastgelegd hebben
Conditionalis II zou hebben vastgelegd zou hebben vastgelegd zou hebben vastgelegd zouden hebben vastgelegd zouden hebben vastgelegd zouden hebben vastgelegd
Imperatief - leg vast - - legt vast -
translation - vastleggen translate | Dutch dictionary
     

.: synonyms for vastleggen

vastbinden
vastmaken
afspreken
bepalen, opnemen, optekenen, registreren, stipuleren
All Synonyms for vastleggen