Dutch
Portuguese
Verbformen von vagebonderen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | vagebonderend | und | gevagebondeerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | vagebondeer | vagebondeert | vagebondeert | vagebonderen | vagebonderen | vagebonderen |
| Imperfect | vagebondeerde | vagebondeerde | vagebondeerde | vagebondeerden | vagebondeerden | vagebondeerden |
| Toekomende tijd I | zal vagebonderen | zult vagebonderen | zal vagebonderen | zullen vagebonderen | zullen vagebonderen | zullen vagebonderen |
| Conditionalis I | zou vagebonderen | zou vagebonderen | zou vagebonderen | zouden vagebonderen | zouden vagebonderen | zouden vagebonderen |
| Perfectum | heb gevagebondeerd | hebt gevagebondeerd | heeft gevagebondeerd | hebben gevagebondeerd | hebben gevagebondeerd | hebben gevagebondeerd |
| Voltooid verleden tijd | had gevagebondeerd | had gevagebondeerd | had gevagebondeerd | hadden gevagebondeerd | hadden gevagebondeerd | hadden gevagebondeerd |
| Toekomende tijd II | zal gevagebondeerd hebben | zult gevagebondeerd hebben | zal gevagebondeerd hebben | zullen gevagebondeerd hebben | zullen gevagebondeerd hebben | zullen gevagebondeerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gevagebondeerd | zou hebben gevagebondeerd | zou hebben gevagebondeerd | zouden hebben gevagebondeerd | zouden hebben gevagebondeerd | zouden hebben gevagebondeerd |
| Imperatief | - | vagebondeer | - | - | vagebondeert | - |
- vaderlijk
- vaderloos
- vaderschap
- vadsig
- vagebond
vagebonderen
- vagen
- vagevuur
- vagina
- vak
- vakantie
- vakantiecursus
- vakantiedag
- vakantieganger
- vakantiegangster
- vakantieoord
- vakantiespreiding
- vakbond
- vakbondsafgevaardigde
- vakbondsman
- vakbondsvertegenwoordiger
- vakbondsvertegenwoordigster
- vakgebied
- vakje
- vakkennis
- vakkundig
- vakkundigheid
- vakman
- vakman voor gereedschapsmachines
- vakman voor gereedsschapsmachines
- vakman voor werktuigmachines

