Dutch
Portuguese
Verb forms of uitloggen
| - | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uitloggend | und | uitgelogd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | log uit | logt uit | logt uit | loggen uit | loggen uit | loggen uit |
| Imperfect | logde uit | logde uit | logde uit | logden uit | logden uit | logden uit |
| Toekomende tijd I | zal uitloggen | zult uitloggen | zal uitloggen | zullen uitloggen | zullen uitloggen | zullen uitloggen |
| Conditionalis I | zou uitloggen | zou uitloggen | zou uitloggen | zouden uitloggen | zouden uitloggen | zouden uitloggen |
| Perfectum | heb uitgelogd | hebt uitgelogd | heeft uitgelogd | hebben uitgelogd | hebben uitgelogd | hebben uitgelogd |
| Voltooid verleden tijd | had uitgelogd | had uitgelogd | had uitgelogd | hadden uitgelogd | hadden uitgelogd | hadden uitgelogd |
| Toekomende tijd II | zal uitgelogd hebben | zult uitgelogd hebben | zal uitgelogd hebben | zullen uitgelogd hebben | zullen uitgelogd hebben | zullen uitgelogd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgelogd | zou hebben uitgelogd | zou hebben uitgelogd | zouden hebben uitgelogd | zouden hebben uitgelogd | zouden hebben uitgelogd |
| Imperatief | - | log uit | - | - | logt uit | - |
- uitlezen
- uitlichten
- uitlijnen
- uitlikken
- uitlogen
uitloggen
- uitlokken
- uitloodsen
- uitlopen
- uitloper
- uitlopers
- uitloten
- uitloven
- uitlozen
- uitluchten
- uitluiden
- uitluisteren
- uitmaken
- uitmalen
- uitmelken
- uitmergelen
- uitmergeling
- uitmesten
- uitmeten
- uitmikken
- uitmonden
- uitmonsteren
- uitmoorden
- uitmunten
- uitmuntend
- uitneembaar

