Dutch
Portuguese
Verb forms of uitlezen
| - | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uitlezend | und | uitgelezen |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | lees uit | leest uit | leest uit | lezen uit | lezen uit | lezen uit |
| Imperfect | las uit | las uit | las uit | lazen uit | lazen uit | lazen uit |
| Toekomende tijd I | zal uitlezen | zult uitlezen | zal uitlezen | zullen uitlezen | zullen uitlezen | zullen uitlezen |
| Conditionalis I | zou uitlezen | zou uitlezen | zou uitlezen | zouden uitlezen | zouden uitlezen | zouden uitlezen |
| Perfectum | heb uitgelezen | hebt uitgelezen | heeft uitgelezen | hebben uitgelezen | hebben uitgelezen | hebben uitgelezen |
| Voltooid verleden tijd | had uitgelezen | had uitgelezen | had uitgelezen | hadden uitgelezen | hadden uitgelezen | hadden uitgelezen |
| Toekomende tijd II | zal uitgelezen hebben | zult uitgelezen hebben | zal uitgelezen hebben | zullen uitgelezen hebben | zullen uitgelezen hebben | zullen uitgelezen hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgelezen | zou hebben uitgelezen | zou hebben uitgelezen | zouden hebben uitgelezen | zouden hebben uitgelezen | zouden hebben uitgelezen |
| Imperatief | - | lees uit | - | - | leest uit | - |
- uitlepelen
- uitleven
- uitleverbaar
- uitleveren
- uitlevering
uitlezen
- uitlichten
- uitlijnen
- uitlikken
- uitlogen
- uitloggen
- uitlokken
- uitloodsen
- uitlopen
- uitloper
- uitlopers
- uitloten
- uitloven
- uitlozen
- uitluchten
- uitluiden
- uitluisteren
- uitmaken
- uitmalen
- uitmelken
- uitmergelen
- uitmergeling
- uitmesten
- uitmeten
- uitmikken
- uitmonden

