uitleggen
has 4 meanings, 3 synonym groups and 11 synonyms
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Verb forms of uitleggen
| irr. | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uitleggend | und | uitgelegd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | leg uit | legt uit | legt uit | leggen uit | leggen uit | leggen uit |
| Imperfect | legde uit | legde uit | legde uit | legden uit | legden uit | legden uit |
| Toekomende tijd I | zal uitleggen | zult uitleggen | zal uitleggen | zullen uitleggen | zullen uitleggen | zullen uitleggen |
| Conditionalis I | zou uitleggen | zou uitleggen | zou uitleggen | zouden uitleggen | zouden uitleggen | zouden uitleggen |
| Perfectum | heb uitgelegd | hebt uitgelegd | heeft uitgelegd | hebben uitgelegd | hebben uitgelegd | hebben uitgelegd |
| Voltooid verleden tijd | had uitgelegd | had uitgelegd | had uitgelegd | hadden uitgelegd | hadden uitgelegd | hadden uitgelegd |
| Toekomende tijd II | zal uitgelegd hebben | zult uitgelegd hebben | zal uitgelegd hebben | zullen uitgelegd hebben | zullen uitgelegd hebben | zullen uitgelegd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgelegd | zou hebben uitgelegd | zou hebben uitgelegd | zouden hebben uitgelegd | zouden hebben uitgelegd | zouden hebben uitgelegd |
| Imperatief | - | leg uit | - | - | legt uit | - |
synonyms for uitleggen
duiden, expliciteren, interpreteren, opvatten, toelichten, uiteenzetten, verduidelijken, verklaren
uitbreiden
vergroten, verlengen
uitspreiden
uitspreiden [v]
All Synonyms for uitleggen
- uitlachen
- uitladen
- uitlangen
- uitlaten
- uitleg
uitleggen
- uitlegger
- uitleiden
- uitlekken
- uitlenen
- uitlenen aan
- uitlepelen
- uitleven
- uitleverbaar
- uitleveren
- uitlevering
- uitlezen
- uitlichten
- uitlijnen
- uitlikken
- uitlogen
- uitloggen
- uitlokken
- uitloodsen
- uitlopen
- uitloper
- uitlopers
- uitloten
- uitloven
- uitlozen
- uitluchten

