uithuwelijken
has one meaning
Dutch
English
German
French
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of uithuwelijken
| - | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uithuwelijkend | und | uitgehuwelijkt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | huwelijk uit | huwelijkt uit | huwelijkt uit | huwelijken uit | huwelijken uit | huwelijken uit |
| Imperfect | huwelijkte uit | huwelijkte uit | huwelijkte uit | huwelijkten uit | huwelijkten uit | huwelijkten uit |
| Toekomende tijd I | zal uithuwelijken | zult uithuwelijken | zal uithuwelijken | zullen uithuwelijken | zullen uithuwelijken | zullen uithuwelijken |
| Conditionalis I | zou uithuwelijken | zou uithuwelijken | zou uithuwelijken | zouden uithuwelijken | zouden uithuwelijken | zouden uithuwelijken |
| Perfectum | heb uitgehuwelijkt | hebt uitgehuwelijkt | heeft uitgehuwelijkt | hebben uitgehuwelijkt | hebben uitgehuwelijkt | hebben uitgehuwelijkt |
| Voltooid verleden tijd | had uitgehuwelijkt | had uitgehuwelijkt | had uitgehuwelijkt | hadden uitgehuwelijkt | hadden uitgehuwelijkt | hadden uitgehuwelijkt |
| Toekomende tijd II | zal uitgehuwelijkt hebben | zult uitgehuwelijkt hebben | zal uitgehuwelijkt hebben | zullen uitgehuwelijkt hebben | zullen uitgehuwelijkt hebben | zullen uitgehuwelijkt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgehuwelijkt | zou hebben uitgehuwelijkt | zou hebben uitgehuwelijkt | zouden hebben uitgehuwelijkt | zouden hebben uitgehuwelijkt | zouden hebben uitgehuwelijkt |
| Imperatief | - | huwelijk uit | - | - | huwelijkt uit | - |
- uithouden
- uithoudingsvermogen
- uithouwen
- uithozen
- uithuilen
uithuwelijken
- uithuwen
- uiting
- uiting van genegenheid
- uitjanken
- uitje
- uitjoelen
- uitjouwen
- uitjubelen
- uitkaarden
- uitkafferen
- uitkakken
- uitkammen
- uitkappen
- uitkauwen
- uitkavelen
- uitkeilen
- uitkepen
- uitkeren
- uitkering
- uitkeringsgerechtigde
- uitkermen
- uitkerven
- uitketteren
- uitkiemen
- uitkienen

