Dutch
Portuguese
Verbformen von trivialiseren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | trivialiserend | und | getrivialiseerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | trivialiseer | trivialiseert | trivialiseert | trivialiseren | trivialiseren | trivialiseren |
| Imperfect | trivialiseerde | trivialiseerde | trivialiseerde | trivialiseerden | trivialiseerden | trivialiseerden |
| Toekomende tijd I | zal trivialiseren | zult trivialiseren | zal trivialiseren | zullen trivialiseren | zullen trivialiseren | zullen trivialiseren |
| Conditionalis I | zou trivialiseren | zou trivialiseren | zou trivialiseren | zouden trivialiseren | zouden trivialiseren | zouden trivialiseren |
| Perfectum | heb getrivialiseerd | hebt getrivialiseerd | heeft getrivialiseerd | hebben getrivialiseerd | hebben getrivialiseerd | hebben getrivialiseerd |
| Voltooid verleden tijd | had getrivialiseerd | had getrivialiseerd | had getrivialiseerd | hadden getrivialiseerd | hadden getrivialiseerd | hadden getrivialiseerd |
| Toekomende tijd II | zal getrivialiseerd hebben | zult getrivialiseerd hebben | zal getrivialiseerd hebben | zullen getrivialiseerd hebben | zullen getrivialiseerd hebben | zullen getrivialiseerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben getrivialiseerd | zou hebben getrivialiseerd | zou hebben getrivialiseerd | zouden hebben getrivialiseerd | zouden hebben getrivialiseerd | zouden hebben getrivialiseerd |
| Imperatief | - | trivialiseer | - | - | trivialiseert | - |
- triptrappen
- trismus
- tritsen
- triumviraat
- triviaal
trivialiseren
- trivialiteit
- triëren
- trochee
- trocheus
- troebel
- troebleren
- troef
- troef spelen
- troefkaart
- troep
- troep leeuwen
- troepen
- troepenmacht
- troepentransportschip
- troeteldier
- troetelen
- troetelkind
- troeven
- trofee
- troffel
- trog
- troggelen
- troglodiet
- trol
- trolleybus

