search term:

trippelen

  has 2 meanings, 2 synonym groups and 4 synonyms

Dutch Dutch

trippelen (voetstappen, lopen)

English English

pad (lopen) patter (voetstappen)

German German

tappen (lopen) trappeln (voetstappen)

French French

marcher à pas feutrés (lopen) trottiner (voetstappen)

Italian Italian

muoversi a passi felpati (lopen) trotterellare (voetstappen)

Spanish Spanish

andar a pasos quedos (lopen) golpetear (voetstappen)

Portuguese Portuguese

andar com passos leves (lopen) patear (voetstappen) sapatear (voetstappen)

Swedish Swedish

traska (lopen) trippa (voetstappen)


Verb forms of trippelen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord trippelend und getrippeld

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens trippel trippelt trippelt trippelen trippelen trippelen
Imperfect trippelde trippelde trippelde trippelden trippelden trippelden
Toekomende tijd I zal trippelen zult trippelen zal trippelen zullen trippelen zullen trippelen zullen trippelen
Conditionalis I zou trippelen zou trippelen zou trippelen zouden trippelen zouden trippelen zouden trippelen
Perfectum heb getrippeld hebt getrippeld heeft getrippeld hebben getrippeld hebben getrippeld hebben getrippeld
Voltooid verleden tijd had getrippeld had getrippeld had getrippeld hadden getrippeld hadden getrippeld hadden getrippeld
Toekomende tijd II zal getrippeld hebben zult getrippeld hebben zal getrippeld hebben zullen getrippeld hebben zullen getrippeld hebben zullen getrippeld hebben
Conditionalis II zou hebben getrippeld zou hebben getrippeld zou hebben getrippeld zouden hebben getrippeld zouden hebben getrippeld zouden hebben getrippeld
Imperatief - trippel - - trippelt -
translation - trippelen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000