Dutch
Portuguese
Verb forms of tripleren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | triplerend | und | getripleerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | tripleer | tripleert | tripleert | tripleren | tripleren | tripleren |
| Imperfect | tripleerde | tripleerde | tripleerde | tripleerden | tripleerden | tripleerden |
| Toekomende tijd I | zal tripleren | zult tripleren | zal tripleren | zullen tripleren | zullen tripleren | zullen tripleren |
| Conditionalis I | zou tripleren | zou tripleren | zou tripleren | zouden tripleren | zouden tripleren | zouden tripleren |
| Perfectum | heb getripleerd | hebt getripleerd | heeft getripleerd | hebben getripleerd | hebben getripleerd | hebben getripleerd |
| Voltooid verleden tijd | had getripleerd | had getripleerd | had getripleerd | hadden getripleerd | hadden getripleerd | hadden getripleerd |
| Toekomende tijd II | zal getripleerd hebben | zult getripleerd hebben | zal getripleerd hebben | zullen getripleerd hebben | zullen getripleerd hebben | zullen getripleerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben getripleerd | zou hebben getripleerd | zou hebben getripleerd | zouden hebben getripleerd | zouden hebben getripleerd | zouden hebben getripleerd |
| Imperatief | - | tripleer | - | - | tripleert | - |
- triomferen
- triomflied
- triomfwagen
- triool
- trip
tripleren
- triplex
- tripliceren
- trippelen
- trippen
- triptiek
- triptrappen
- trismus
- tritsen
- triumviraat
- triviaal
- trivialiseren
- trivialiteit
- triëren
- trochee
- trocheus
- troebel
- troebleren
- troef
- troef spelen
- troefkaart
- troep
- troep leeuwen
- troepen
- troepenmacht
- troepentransportschip

