Dutch
Portuguese
Verbformen von travesteren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | travesterend | und | getravesteerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | travesteer | travesteert | travesteert | travesteren | travesteren | travesteren |
| Imperfect | travesteerde | travesteerde | travesteerde | travesteerden | travesteerden | travesteerden |
| Toekomende tijd I | zal travesteren | zult travesteren | zal travesteren | zullen travesteren | zullen travesteren | zullen travesteren |
| Conditionalis I | zou travesteren | zou travesteren | zou travesteren | zouden travesteren | zouden travesteren | zouden travesteren |
| Perfectum | heb getravesteerd | hebt getravesteerd | heeft getravesteerd | hebben getravesteerd | hebben getravesteerd | hebben getravesteerd |
| Voltooid verleden tijd | had getravesteerd | had getravesteerd | had getravesteerd | hadden getravesteerd | hadden getravesteerd | hadden getravesteerd |
| Toekomende tijd II | zal getravesteerd hebben | zult getravesteerd hebben | zal getravesteerd hebben | zullen getravesteerd hebben | zullen getravesteerd hebben | zullen getravesteerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben getravesteerd | zou hebben getravesteerd | zou hebben getravesteerd | zouden hebben getravesteerd | zouden hebben getravesteerd | zouden hebben getravesteerd |
| Imperatief | - | travesteer | - | - | travesteert | - |
- traumatisch
- traumatiseren
- traumatizeren
- traven
- traverseren
travesteren
- travestie
- travestiet
- trawlen
- trawler
- trechter
- tred
- trede
- treden
- tredmolen
- treeft
- tref
- treffen
- treffend
- trefpunt
- trefwoord
- treilen
- treiler
- treilnet
- trein
- treinbestuurder
- treinbestuurster
- treinen
- treinmachinist
- treinmachiniste
- treinspoor

