search term:

trappelen

  has one meaning, one synonym group and one synonym

Dutch Dutch

trappelen (voeten)

English English

trample (voeten)

German German

trampeln (voeten)

French French

piétiner (voeten)

Italian Italian

calpestare (voeten)

Spanish Spanish

pisotear (voeten)

Portuguese Portuguese

pisar (voeten) pisotear (voeten)

Swedish Swedish

trampa (voeten)


Verb forms of trappelen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord trappelend und getrappeld

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens trappel trappelt trappelt trappelen trappelen trappelen
Imperfect trappelde trappelde trappelde trappelden trappelden trappelden
Toekomende tijd I zal trappelen zult trappelen zal trappelen zullen trappelen zullen trappelen zullen trappelen
Conditionalis I zou trappelen zou trappelen zou trappelen zouden trappelen zouden trappelen zouden trappelen
Perfectum heb getrappeld hebt getrappeld heeft getrappeld hebben getrappeld hebben getrappeld hebben getrappeld
Voltooid verleden tijd had getrappeld had getrappeld had getrappeld hadden getrappeld hadden getrappeld hadden getrappeld
Toekomende tijd II zal getrappeld hebben zult getrappeld hebben zal getrappeld hebben zullen getrappeld hebben zullen getrappeld hebben zullen getrappeld hebben
Conditionalis II zou hebben getrappeld zou hebben getrappeld zou hebben getrappeld zouden hebben getrappeld zouden hebben getrappeld zouden hebben getrappeld
Imperatief - trappel - - trappelt -
translation - trappelen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000