tand
has 3 meanings
Dutch
English
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
- tamelijk koel
- tampen
- tampon
- tamponneren
- tamtam
tand
- tandaanslag
- tandarts
- tandbederf
- tandbeen
- tanddoorbraak
- tandeloos
- tandem
- tanden
- tanden van een drijfwerk
- tandenborstel
- tandenknarsen
- tandenpoetsen
- tandenstoker
- tandheelkunde
- tandheelkundige
- tandjes krijgen
- tandpasta
- tandpijn
- tandplak
- tandprothese
- tandrad
- tandsteen
- tandtechnicus
- tandvlees
- tandvleesontsteking

