Dutch
Portuguese
Verbformen von spijzigen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | spijzigend | und | gespijzigd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | spijzig | spijzigt | spijzigt | spijzigen | spijzigen | spijzigen |
| Imperfect | spijzigde | spijzigde | spijzigde | spijzigden | spijzigden | spijzigden |
| Toekomende tijd I | zal spijzigen | zult spijzigen | zal spijzigen | zullen spijzigen | zullen spijzigen | zullen spijzigen |
| Conditionalis I | zou spijzigen | zou spijzigen | zou spijzigen | zouden spijzigen | zouden spijzigen | zouden spijzigen |
| Perfectum | heb gespijzigd | hebt gespijzigd | heeft gespijzigd | hebben gespijzigd | hebben gespijzigd | hebben gespijzigd |
| Voltooid verleden tijd | had gespijzigd | had gespijzigd | had gespijzigd | hadden gespijzigd | hadden gespijzigd | hadden gespijzigd |
| Toekomende tijd II | zal gespijzigd hebben | zult gespijzigd hebben | zal gespijzigd hebben | zullen gespijzigd hebben | zullen gespijzigd hebben | zullen gespijzigd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gespijzigd | zou hebben gespijzigd | zou hebben gespijzigd | zouden hebben gespijzigd | zouden hebben gespijzigd | zouden hebben gespijzigd |
| Imperatief | - | spijzig | - | - | spijzigt | - |

