Dutch Dutch

no translation found for solmiseren


Verb forms of solmiseren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord solmiserend und gesolmiseerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens solmiseer solmiseert solmiseert solmiseren solmiseren solmiseren
Imperfect solmiseerde solmiseerde solmiseerde solmiseerden solmiseerden solmiseerden
Toekomende tijd I zal solmiseren zult solmiseren zal solmiseren zullen solmiseren zullen solmiseren zullen solmiseren
Conditionalis I zou solmiseren zou solmiseren zou solmiseren zouden solmiseren zouden solmiseren zouden solmiseren
Perfectum heb gesolmiseerd hebt gesolmiseerd heeft gesolmiseerd hebben gesolmiseerd hebben gesolmiseerd hebben gesolmiseerd
Voltooid verleden tijd had gesolmiseerd had gesolmiseerd had gesolmiseerd hadden gesolmiseerd hadden gesolmiseerd hadden gesolmiseerd
Toekomende tijd II zal gesolmiseerd hebben zult gesolmiseerd hebben zal gesolmiseerd hebben zullen gesolmiseerd hebben zullen gesolmiseerd hebben zullen gesolmiseerd hebben
Conditionalis II zou hebben gesolmiseerd zou hebben gesolmiseerd zou hebben gesolmiseerd zouden hebben gesolmiseerd zouden hebben gesolmiseerd zouden hebben gesolmiseerd
Imperatief - solmiseer - - solmiseert -
translation - solmiseren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000