Dutch Dutch

no translation found for sauveren


Verb forms of sauveren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord sauverend und gesauveerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens sauveer sauveert sauveert sauveren sauveren sauveren
Imperfect sauveerde sauveerde sauveerde sauveerden sauveerden sauveerden
Toekomende tijd I zal sauveren zult sauveren zal sauveren zullen sauveren zullen sauveren zullen sauveren
Conditionalis I zou sauveren zou sauveren zou sauveren zouden sauveren zouden sauveren zouden sauveren
Perfectum heb gesauveerd hebt gesauveerd heeft gesauveerd hebben gesauveerd hebben gesauveerd hebben gesauveerd
Voltooid verleden tijd had gesauveerd had gesauveerd had gesauveerd hadden gesauveerd hadden gesauveerd hadden gesauveerd
Toekomende tijd II zal gesauveerd hebben zult gesauveerd hebben zal gesauveerd hebben zullen gesauveerd hebben zullen gesauveerd hebben zullen gesauveerd hebben
Conditionalis II zou hebben gesauveerd zou hebben gesauveerd zou hebben gesauveerd zouden hebben gesauveerd zouden hebben gesauveerd zouden hebben gesauveerd
Imperatief - sauveer - - sauveert -
translation - sauveren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000