Tools Enlarge font sizeNormal font sizeReduce font sizeShow/hide HelpPrint pageRecommend pageSearch prononceren in WikipediaSearch prononceren in Google UK Bookmark Add page to favouritesBookmark page at Mister Wong Bookmark page at Linkarena Bookmark page at Delicious Bookmark page at Yahoo Bookmark page at Google Words German wordsEnglish wordsFrench wordsSpanish wordsItalian wordsPortuguese wordsSwedish wordsDutch words

Search term: dutch prononceren has meanings

English

German

French

Italian

Spanish

Dutch

Portuguese

Swedish

Verb forms of prononceren

Usage - Separable -
Tegenwoordig en verleden deelwoord prononcerend und geprononceerd
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens prononceer prononceert prononceert prononceren prononceren prononceren
Imperfect prononceerde prononceerde prononceerde prononceerden prononceerden prononceerden
Toekomende tijd I zal prononceren zult prononceren zal prononceren zullen prononceren zullen prononceren zullen prononceren
Conditionalis I zou prononceren zou prononceren zou prononceren zouden prononceren zouden prononceren zouden prononceren
Perfectum heb geprononceerd hebt geprononceerd heeft geprononceerd hebben geprononceerd hebben geprononceerd hebben geprononceerd
Voltooid verleden tijd had geprononceerd had geprononceerd had geprononceerd hadden geprononceerd hadden geprononceerd hadden geprononceerd
Toekomende tijd II zal geprononceerd hebben zult geprononceerd hebben zal geprononceerd hebben zullen geprononceerd hebben zullen geprononceerd hebben zullen geprononceerd hebben
Conditionalis II zou hebben geprononceerd zou hebben geprononceerd zou hebben geprononceerd zouden hebben geprononceerd zouden hebben geprononceerd zouden hebben geprononceerd
Imperatief - prononceer - - prononceert -

prononceren - Translation of words, word sequences and short sentences into the languages German, Spanish, French, Italian, Dutch, Portuguese, Swedish