Dutch
Portuguese
Verb forms of ontrusten
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | ontrustend | und | ontrust |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | ontrust | ontrust | ontrust | ontrusten | ontrusten | ontrusten |
| Imperfect | ontrustte | ontrustte | ontrustte | ontrustten | ontrustten | ontrustten |
| Toekomende tijd I | zal ontrusten | zult ontrusten | zal ontrusten | zullen ontrusten | zullen ontrusten | zullen ontrusten |
| Conditionalis I | zou ontrusten | zou ontrusten | zou ontrusten | zouden ontrusten | zouden ontrusten | zouden ontrusten |
| Perfectum | heb ontrust | hebt ontrust | heeft ontrust | hebben ontrust | hebben ontrust | hebben ontrust |
| Voltooid verleden tijd | had ontrust | had ontrust | had ontrust | hadden ontrust | hadden ontrust | hadden ontrust |
| Toekomende tijd II | zal ontrust hebben | zult ontrust hebben | zal ontrust hebben | zullen ontrust hebben | zullen ontrust hebben | zullen ontrust hebben |
| Conditionalis II | zou hebben ontrust | zou hebben ontrust | zou hebben ontrust | zouden hebben ontrust | zouden hebben ontrust | zouden hebben ontrust |
| Imperatief | - | ontrust | - | - | ontrust | - |
- ontrouw zijn
- ontroven
- ontruimen
- ontruiming
- ontrukken
ontrusten
- ontschepen
- ontschieten
- ontschoeien
- ontschorsen
- ontsieren
- ontslaan
- ontslaan van
- ontslag
- ontslag nemen
- ontslag van rechtsvervolging
- ontslagaanzegging
- ontslagen
- ontslagen van
- ontslagen worden
- ontslagneming
- ontslagpremie
- ontslaguitkering
- ontslaken
- ontslapen
- ontslippen
- ontsluieren
- ontsluimeren
- ontsluipen
- ontsluiten
- ontsmetten

