ontrouw zijn
has 2 meanings
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
- ontroesten
- ontrollen
- ontromen
- ontroostbaar
- ontrouw
ontrouw zijn
- ontroven
- ontruimen
- ontruiming
- ontrukken
- ontrusten
- ontschepen
- ontschieten
- ontschoeien
- ontschorsen
- ontsieren
- ontslaan
- ontslaan van
- ontslag
- ontslag nemen
- ontslag van rechtsvervolging
- ontslagaanzegging
- ontslagen
- ontslagen van
- ontslagen worden
- ontslagneming
- ontslagpremie
- ontslaguitkering
- ontslaken
- ontslapen
- ontslippen

