ontrollen
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of ontrollen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | ontrollend | und | ontrold |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | ontrol | ontrolt | ontrolt | ontrollen | ontrollen | ontrollen |
| Imperfect | ontrolde | ontrolde | ontrolde | ontrolden | ontrolden | ontrolden |
| Toekomende tijd I | zal ontrollen | zult ontrollen | zal ontrollen | zullen ontrollen | zullen ontrollen | zullen ontrollen |
| Conditionalis I | zou ontrollen | zou ontrollen | zou ontrollen | zouden ontrollen | zouden ontrollen | zouden ontrollen |
| Perfectum | heb ontrold | hebt ontrold | heeft ontrold | hebben ontrold | hebben ontrold | hebben ontrold |
| Voltooid verleden tijd | had ontrold | had ontrold | had ontrold | hadden ontrold | hadden ontrold | hadden ontrold |
| Toekomende tijd II | zal ontrold hebben | zult ontrold hebben | zal ontrold hebben | zullen ontrold hebben | zullen ontrold hebben | zullen ontrold hebben |
| Conditionalis II | zou hebben ontrold | zou hebben ontrold | zou hebben ontrold | zouden hebben ontrold | zouden hebben ontrold | zouden hebben ontrold |
| Imperatief | - | ontrol | - | - | ontrolt | - |
- ontroerd zijn
- ontroeren
- ontroerend
- ontroering
- ontroesten
ontrollen
- ontromen
- ontroostbaar
- ontrouw
- ontrouw zijn
- ontroven
- ontruimen
- ontruiming
- ontrukken
- ontrusten
- ontschepen
- ontschieten
- ontschoeien
- ontschorsen
- ontsieren
- ontslaan
- ontslaan van
- ontslag
- ontslag nemen
- ontslag van rechtsvervolging
- ontslagaanzegging
- ontslagen
- ontslagen van
- ontslagen worden
- ontslagneming
- ontslagpremie

