Dutch
Portuguese
Verb forms of ontroesten
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | ontroestend | und | ontroest |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | ontroest | ontroest | ontroest | ontroesten | ontroesten | ontroesten |
| Imperfect | ontroestte | ontroestte | ontroestte | ontroestten | ontroestten | ontroestten |
| Toekomende tijd I | zal ontroesten | zult ontroesten | zal ontroesten | zullen ontroesten | zullen ontroesten | zullen ontroesten |
| Conditionalis I | zou ontroesten | zou ontroesten | zou ontroesten | zouden ontroesten | zouden ontroesten | zouden ontroesten |
| Perfectum | heb ontroest | hebt ontroest | heeft ontroest | hebben ontroest | hebben ontroest | hebben ontroest |
| Voltooid verleden tijd | had ontroest | had ontroest | had ontroest | hadden ontroest | hadden ontroest | hadden ontroest |
| Toekomende tijd II | zal ontroest hebben | zult ontroest hebben | zal ontroest hebben | zullen ontroest hebben | zullen ontroest hebben | zullen ontroest hebben |
| Conditionalis II | zou hebben ontroest | zou hebben ontroest | zou hebben ontroest | zouden hebben ontroest | zouden hebben ontroest | zouden hebben ontroest |
| Imperatief | - | ontroest | - | - | ontroest | - |
- ontroerd
- ontroerd zijn
- ontroeren
- ontroerend
- ontroering
ontroesten
- ontrollen
- ontromen
- ontroostbaar
- ontrouw
- ontrouw zijn
- ontroven
- ontruimen
- ontruiming
- ontrukken
- ontrusten
- ontschepen
- ontschieten
- ontschoeien
- ontschorsen
- ontsieren
- ontslaan
- ontslaan van
- ontslag
- ontslag nemen
- ontslag van rechtsvervolging
- ontslagaanzegging
- ontslagen
- ontslagen van
- ontslagen worden
- ontslagneming

