Dutch Dutch

no translation found for ontregelen


Verb forms of ontregelen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord ontregelend und ontregeld

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens ontregel ontregelt ontregelt ontregelen ontregelen ontregelen
Imperfect ontregelde ontregelde ontregelde ontregelden ontregelden ontregelden
Toekomende tijd I zal ontregelen zult ontregelen zal ontregelen zullen ontregelen zullen ontregelen zullen ontregelen
Conditionalis I zou ontregelen zou ontregelen zou ontregelen zouden ontregelen zouden ontregelen zouden ontregelen
Perfectum heb ontregeld hebt ontregeld heeft ontregeld hebben ontregeld hebben ontregeld hebben ontregeld
Voltooid verleden tijd had ontregeld had ontregeld had ontregeld hadden ontregeld hadden ontregeld hadden ontregeld
Toekomende tijd II zal ontregeld hebben zult ontregeld hebben zal ontregeld hebben zullen ontregeld hebben zullen ontregeld hebben zullen ontregeld hebben
Conditionalis II zou hebben ontregeld zou hebben ontregeld zou hebben ontregeld zouden hebben ontregeld zouden hebben ontregeld zouden hebben ontregeld
Imperatief - ontregel - - ontregelt -
translation - ontregelen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000