search term:

ontrafelen

  has one meaning, 2 synonym groups and 7 synonyms

Dutch Dutch

ontrafelen (ontwarren)

English English

disentangle (ontwarren) ravel (ontwarren) unravel (ontwarren) untangle (ontwarren)

German German

auseinander wickeln (ontwarren) entwirren (ontwarren)

French French

débrouiller (ontwarren) défaire (ontwarren) démêler (ontwarren)

Italian Italian

districare (ontwarren) sbrogliare (ontwarren)

Spanish Spanish

desembrollar (ontwarren) desenmarañar (ontwarren) desenredar (ontwarren)

Portuguese Portuguese

desembaraçar (ontwarren) tirar os nós de (ontwarren)

Swedish Swedish

lösa upp (ontwarren) reda ut (ontwarren) trassla upp (ontwarren)


Verb forms of ontrafelen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord ontrafelend und ontrafeld

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens ontrafel ontrafelt ontrafelt ontrafelen ontrafelen ontrafelen
Imperfect ontrafelde ontrafelde ontrafelde ontrafelden ontrafelden ontrafelden
Toekomende tijd I zal ontrafelen zult ontrafelen zal ontrafelen zullen ontrafelen zullen ontrafelen zullen ontrafelen
Conditionalis I zou ontrafelen zou ontrafelen zou ontrafelen zouden ontrafelen zouden ontrafelen zouden ontrafelen
Perfectum heb ontrafeld hebt ontrafeld heeft ontrafeld hebben ontrafeld hebben ontrafeld hebben ontrafeld
Voltooid verleden tijd had ontrafeld had ontrafeld had ontrafeld hadden ontrafeld hadden ontrafeld hadden ontrafeld
Toekomende tijd II zal ontrafeld hebben zult ontrafeld hebben zal ontrafeld hebben zullen ontrafeld hebben zullen ontrafeld hebben zullen ontrafeld hebben
Conditionalis II zou hebben ontrafeld zou hebben ontrafeld zou hebben ontrafeld zouden hebben ontrafeld zouden hebben ontrafeld zouden hebben ontrafeld
Imperatief - ontrafel - - ontrafelt -
translation - ontrafelen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000