search term:

onteren

  has 3 meanings, 2 synonym groups and 3 synonyms

Dutch Dutch

onteren (moraliteit, vernederen, schande brengen over)

English English

corrupt (moraliteit) debase (moraliteit, vernederen) degrade (vernederen) disgrace (schande brengen over) dishonor (schande brengen over)

German German

Schande machen (schande brengen over) degradieren (vernederen) entehren (schande brengen over, vernederen) entwürdigen (moraliteit)

French French

avilir (moraliteit) dégrader (schande brengen over, vernederen) déshonorer (schande brengen over, vernederen) faire honte à (schande brengen over, vernederen) ravaler (moraliteit)

Italian Italian

avvilire (moraliteit) degradare (moraliteit, schande brengen over, vernederen) disonorare (schande brengen over, vernederen) recare onta a (schande brengen over, vernederen)

Spanish Spanish

avergonzar (schande brengen over, vernederen) corromper (moraliteit) degradar (moraliteit, schande brengen over, vernederen) deshonrar (schande brengen over, vernederen) infamar (schande brengen over, vernederen)

Portuguese Portuguese

corromper (moraliteit) degradar (moraliteit, schande brengen over, vernederen) desgraçar (schande brengen over, vernederen) desonrar (schande brengen over, vernederen)

Swedish Swedish

degradera (schande brengen over, vernederen) fördärva (moraliteit) förnedra (moraliteit, schande brengen over, vernederen) vanhedra (schande brengen over, vernederen) vanära (schande brengen over, vernederen)


Verb forms of onteren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord onterend und onteerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens onteer onteert onteert onteren onteren onteren
Imperfect onteerde onteerde onteerde onteerden onteerden onteerden
Toekomende tijd I zal onteren zult onteren zal onteren zullen onteren zullen onteren zullen onteren
Conditionalis I zou onteren zou onteren zou onteren zouden onteren zouden onteren zouden onteren
Perfectum heb onteerd hebt onteerd heeft onteerd hebben onteerd hebben onteerd hebben onteerd
Voltooid verleden tijd had onteerd had onteerd had onteerd hadden onteerd hadden onteerd hadden onteerd
Toekomende tijd II zal onteerd hebben zult onteerd hebben zal onteerd hebben zullen onteerd hebben zullen onteerd hebben zullen onteerd hebben
Conditionalis II zou hebben onteerd zou hebben onteerd zou hebben onteerd zouden hebben onteerd zouden hebben onteerd zouden hebben onteerd
Imperatief - onteer - - onteert -
translation - onteren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000