Dutch
Portuguese
Verb forms of omverschieten
| - | omver | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | omverschietend | und | omvergeschoten |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | schiet omver | schiet omver | schiet omver | schieten omver | schieten omver | schieten omver |
| Imperfect | schoot omver | schoot omver | schoot omver | schoten omver | schoten omver | schoten omver |
| Toekomende tijd I | zal omverschieten | zult omverschieten | zal omverschieten | zullen omverschieten | zullen omverschieten | zullen omverschieten |
| Conditionalis I | zou omverschieten | zou omverschieten | zou omverschieten | zouden omverschieten | zouden omverschieten | zouden omverschieten |
| Perfectum | heb omvergeschoten | hebt omvergeschoten | heeft omvergeschoten | hebben omvergeschoten | hebben omvergeschoten | hebben omvergeschoten |
| Voltooid verleden tijd | had omvergeschoten | had omvergeschoten | had omvergeschoten | hadden omvergeschoten | hadden omvergeschoten | hadden omvergeschoten |
| Toekomende tijd II | zal omvergeschoten hebben | zult omvergeschoten hebben | zal omvergeschoten hebben | zullen omvergeschoten hebben | zullen omvergeschoten hebben | zullen omvergeschoten hebben |
| Conditionalis II | zou hebben omvergeschoten | zou hebben omvergeschoten | zou hebben omvergeschoten | zouden hebben omvergeschoten | zouden hebben omvergeschoten | zouden hebben omvergeschoten |
| Imperatief | - | schiet omver | - | - | schiet omver | - |
- omverlopen
- omverpraten
- omverrennen
- omverrijden
- omverrukken
omverschieten
- omverslaan
- omversmijten
- omvertrekken
- omvertuimelen
- omvervallen
- omverwaaien
- omverwerpen
- omverwerping
- omvliegen
- omvormbaar
- omvormen
- omvouwen
- omwaaien
- omwallen
- omwalmen
- omwandelen
- omwaren
- omwassen
- omweg
- omweiden
- omwenden
- omwentelen
- omwenteling
- omwentelings-
- omwerken

