omverlopen
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Portuguese
Swedish
Verb forms of omverlopen
| - | omver | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | omverlopend | und | omvergelopen |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | loop omver | loopt omver | loopt omver | lopen omver | lopen omver | lopen omver |
| Imperfect | liep omver | liep omver | liep omver | liepen omver | liepen omver | liepen omver |
| Toekomende tijd I | zal omverlopen | zult omverlopen | zal omverlopen | zullen omverlopen | zullen omverlopen | zullen omverlopen |
| Conditionalis I | zou omverlopen | zou omverlopen | zou omverlopen | zouden omverlopen | zouden omverlopen | zouden omverlopen |
| Perfectum | heb omvergelopen | hebt omvergelopen | heeft omvergelopen | hebben omvergelopen | hebben omvergelopen | hebben omvergelopen |
| Voltooid verleden tijd | had omvergelopen | had omvergelopen | had omvergelopen | hadden omvergelopen | hadden omvergelopen | hadden omvergelopen |
| Toekomende tijd II | zal omvergelopen hebben | zult omvergelopen hebben | zal omvergelopen hebben | zullen omvergelopen hebben | zullen omvergelopen hebben | zullen omvergelopen hebben |
| Conditionalis II | zou hebben omvergelopen | zou hebben omvergelopen | zou hebben omvergelopen | zouden hebben omvergelopen | zouden hebben omvergelopen | zouden hebben omvergelopen |
| Imperatief | - | loop omver | - | - | loopt omver | - |
- omvergooien
- omverhalen
- omverkantelen
- omverkegelen
- omverliggen
omverlopen
- omverpraten
- omverrennen
- omverrijden
- omverrukken
- omverschieten
- omverslaan
- omversmijten
- omvertrekken
- omvertuimelen
- omvervallen
- omverwaaien
- omverwerpen
- omverwerping
- omvliegen
- omvormbaar
- omvormen
- omvouwen
- omwaaien
- omwallen
- omwalmen
- omwandelen
- omwaren
- omwassen
- omweg
- omweiden

