search term:

omboorden

  has one meaning

Dutch Dutch

omboorden (algemeen)

English English

edge (algemeen)

German German

umranden (algemeen) umsäumen (algemeen)

French French

border (algemeen) passepoiler (algemeen)

Italian Italian

bordare (algemeen) orlare (algemeen)

Spanish Spanish

orlar (algemeen) ribetear (algemeen)

Portuguese Portuguese

debruar (algemeen)

Swedish Swedish

kanta (algemeen)


Verb forms of omboorden

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord omboordend und omboord

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens omboord omboordt omboordt omboorden omboorden omboorden
Imperfect omboordde omboordde omboordde omboordden omboordden omboordden
Toekomende tijd I zal omboorden zult omboorden zal omboorden zullen omboorden zullen omboorden zullen omboorden
Conditionalis I zou omboorden zou omboorden zou omboorden zouden omboorden zouden omboorden zouden omboorden
Perfectum heb omboord hebt omboord heeft omboord hebben omboord hebben omboord hebben omboord
Voltooid verleden tijd had omboord had omboord had omboord hadden omboord hadden omboord hadden omboord
Toekomende tijd II zal omboord hebben zult omboord hebben zal omboord hebben zullen omboord hebben zullen omboord hebben zullen omboord hebben
Conditionalis II zou hebben omboord zou hebben omboord zou hebben omboord zouden hebben omboord zouden hebben omboord zouden hebben omboord
Imperatief - omboord - - omboordt -
translation - omboorden translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000