Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of mevrouwen
| irr. | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | mevrouwend | und | gemevrouwd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | mevrouw | mevrouwt | mevrouwt | mevrouwen | mevrouwen | mevrouwen |
| Imperfect | mevrouwde | mevrouwde | mevrouwde | mevrouwden | mevrouwden | mevrouwden |
| Toekomende tijd I | zal mevrouwen | zult mevrouwen | zal mevrouwen | zullen mevrouwen | zullen mevrouwen | zullen mevrouwen |
| Conditionalis I | zou mevrouwen | zou mevrouwen | zou mevrouwen | zouden mevrouwen | zouden mevrouwen | zouden mevrouwen |
| Perfectum | heb gemevrouwd | hebt gemevrouwd | heeft gemevrouwd | hebben gemevrouwd | hebben gemevrouwd | hebben gemevrouwd |
| Voltooid verleden tijd | had gemevrouwd | had gemevrouwd | had gemevrouwd | hadden gemevrouwd | hadden gemevrouwd | hadden gemevrouwd |
| Toekomende tijd II | zal gemevrouwd hebben | zult gemevrouwd hebben | zal gemevrouwd hebben | zullen gemevrouwd hebben | zullen gemevrouwd hebben | zullen gemevrouwd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gemevrouwd | zou hebben gemevrouwd | zou hebben gemevrouwd | zouden hebben gemevrouwd | zouden hebben gemevrouwd | zouden hebben gemevrouwd |
| Imperatief | - | mevrouw | - | - | mevrouwt | - |

