Dutch Dutch

maximaliseren (algemeen)

English English

maximize (algemeen)

German German

maximieren (algemeen) steigern (algemeen)

French French

maximiser (algemeen) porter au maximum (algemeen)

Italian Italian

Spanish Spanish

aumentar al máximo (algemeen) llevar al máximo (algemeen)

Portuguese Portuguese

engrandecer (algemeen) magnificar (algemeen) maximizar (algemeen)

Swedish Swedish

bringa till maximum (algemeen) maximera (algemeen)


Verb forms of maximaliseren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord maximaliserend und gemaximaliseerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens maximaliseer maximaliseert maximaliseert maximaliseren maximaliseren maximaliseren
Imperfect maximaliseerde maximaliseerde maximaliseerde maximaliseerden maximaliseerden maximaliseerden
Toekomende tijd I zal maximaliseren zult maximaliseren zal maximaliseren zullen maximaliseren zullen maximaliseren zullen maximaliseren
Conditionalis I zou maximaliseren zou maximaliseren zou maximaliseren zouden maximaliseren zouden maximaliseren zouden maximaliseren
Perfectum heb gemaximaliseerd hebt gemaximaliseerd heeft gemaximaliseerd hebben gemaximaliseerd hebben gemaximaliseerd hebben gemaximaliseerd
Voltooid verleden tijd had gemaximaliseerd had gemaximaliseerd had gemaximaliseerd hadden gemaximaliseerd hadden gemaximaliseerd hadden gemaximaliseerd
Toekomende tijd II zal gemaximaliseerd hebben zult gemaximaliseerd hebben zal gemaximaliseerd hebben zullen gemaximaliseerd hebben zullen gemaximaliseerd hebben zullen gemaximaliseerd hebben
Conditionalis II zou hebben gemaximaliseerd zou hebben gemaximaliseerd zou hebben gemaximaliseerd zouden hebben gemaximaliseerd zouden hebben gemaximaliseerd zouden hebben gemaximaliseerd
Imperatief - maximaliseer - - maximaliseert -
translation - maximaliseren translate | Dutch dictionary