Dutch Dutch

lunchen (maaltijd - middag)

English English

have lunch (maaltijd - middag) lunch (maaltijd - middag)

German German

eine leichte Mittagsmahlzeit einnehmen (maaltijd - middag) lunchen (maaltijd - middag)

French French

déjeuner (maaltijd - middag) prendre le lunch (maaltijd - middag)

Italian Italian

pranzare (maaltijd - middag)

Spanish Spanish

almorzar (maaltijd - middag)

Portuguese Portuguese

almoçar (maaltijd - middag)

Swedish Swedish

äta lunch (maaltijd - middag)


Verb forms of lunchen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord lunchend und geluncht

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens lunch luncht luncht lunchen lunchen lunchen
Imperfect lunchte lunchte lunchte lunchten lunchten lunchten
Toekomende tijd I zal lunchen zult lunchen zal lunchen zullen lunchen zullen lunchen zullen lunchen
Conditionalis I zou lunchen zou lunchen zou lunchen zouden lunchen zouden lunchen zouden lunchen
Perfectum heb geluncht hebt geluncht heeft geluncht hebben geluncht hebben geluncht hebben geluncht
Voltooid verleden tijd had geluncht had geluncht had geluncht hadden geluncht hadden geluncht hadden geluncht
Toekomende tijd II zal geluncht hebben zult geluncht hebben zal geluncht hebben zullen geluncht hebben zullen geluncht hebben zullen geluncht hebben
Conditionalis II zou hebben geluncht zou hebben geluncht zou hebben geluncht zouden hebben geluncht zouden hebben geluncht zouden hebben geluncht
Imperatief - lunch - - luncht -
translation - lunchen translate | Dutch dictionary