Dutch
Portuguese
Verb forms of losharken
| - | los | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | losharkend | und | losgeharkt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | hark los | harkt los | harkt los | harken los | harken los | harken los |
| Imperfect | harkte los | harkte los | harkte los | harkten los | harkten los | harkten los |
| Toekomende tijd I | zal losharken | zult losharken | zal losharken | zullen losharken | zullen losharken | zullen losharken |
| Conditionalis I | zou losharken | zou losharken | zou losharken | zouden losharken | zouden losharken | zouden losharken |
| Perfectum | heb losgeharkt | hebt losgeharkt | heeft losgeharkt | hebben losgeharkt | hebben losgeharkt | hebben losgeharkt |
| Voltooid verleden tijd | had losgeharkt | had losgeharkt | had losgeharkt | hadden losgeharkt | hadden losgeharkt | hadden losgeharkt |
| Toekomende tijd II | zal losgeharkt hebben | zult losgeharkt hebben | zal losgeharkt hebben | zullen losgeharkt hebben | zullen losgeharkt hebben | zullen losgeharkt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben losgeharkt | zou hebben losgeharkt | zou hebben losgeharkt | zouden hebben losgeharkt | zouden hebben losgeharkt | zouden hebben losgeharkt |
| Imperatief | - | hark los | - | - | harkt los | - |
- losgooien
- losgraven
- loshaken
- loshalen
- loshangen
losharken
- loskloppen
- losknippen
- losknopen
- loskomen
- loskopen
- loskoppelen
- loskrijgen
- loslaten
- loslaten op iemand
- loslopen
- losmaken
- losmaken van de riem
- losnemen
- lospeuteren
- lospikken
- lospraten
- losprijs
- losraken
- losrijden
- losroeren
- losrukken
- losrukken uit
- losscheuren
- losschieten
- losschroeven

