instrueren
has, one synonym group and 4 synonyms
Dutch
Portuguese
Verb forms of instrueren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | instruerend | und | geïnstrueerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | instrueer | instrueert | instrueert | instrueren | instrueren | instrueren |
| Imperfect | instrueerde | instrueerde | instrueerde | instrueerden | instrueerden | instrueerden |
| Toekomende tijd I | zal instrueren | zult instrueren | zal instrueren | zullen instrueren | zullen instrueren | zullen instrueren |
| Conditionalis I | zou instrueren | zou instrueren | zou instrueren | zouden instrueren | zouden instrueren | zouden instrueren |
| Perfectum | heb geïnstrueerd | hebt geïnstrueerd | heeft geïnstrueerd | hebben geïnstrueerd | hebben geïnstrueerd | hebben geïnstrueerd |
| Voltooid verleden tijd | had geïnstrueerd | had geïnstrueerd | had geïnstrueerd | hadden geïnstrueerd | hadden geïnstrueerd | hadden geïnstrueerd |
| Toekomende tijd II | zal geïnstrueerd hebben | zult geïnstrueerd hebben | zal geïnstrueerd hebben | zullen geïnstrueerd hebben | zullen geïnstrueerd hebben | zullen geïnstrueerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben geïnstrueerd | zou hebben geïnstrueerd | zou hebben geïnstrueerd | zouden hebben geïnstrueerd | zouden hebben geïnstrueerd | zouden hebben geïnstrueerd |
| Imperatief | - | instrueer | - | - | instrueert | - |
synonyms for instrueren
- instructie voor de pleiter
- instructief
- instructies
- instructies geven aan
- instructrice
instrueren
- instrument
- instrumentaal
- instrumentalist
- instrumentaliste
- instrumentatie
- instrumentenbord
- instrumenteren
- instrumentist
- instrumentiste
- instuderen
- instuiven
- instulpen
- insturen
- instuwen
- insubordinatie
- insuffen
- insulair
- insuline
- insult
- insulteren
- intact
- intact houden
- intaglio
- intanden
- intapen

