Dutch
Portuguese
Verb forms of institueren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | instituerend | und | geïnstitueerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | institueer | institueert | institueert | institueren | institueren | institueren |
| Imperfect | institueerde | institueerde | institueerde | institueerden | institueerden | institueerden |
| Toekomende tijd I | zal institueren | zult institueren | zal institueren | zullen institueren | zullen institueren | zullen institueren |
| Conditionalis I | zou institueren | zou institueren | zou institueren | zouden institueren | zouden institueren | zouden institueren |
| Perfectum | heb geïnstitueerd | hebt geïnstitueerd | heeft geïnstitueerd | hebben geïnstitueerd | hebben geïnstitueerd | hebben geïnstitueerd |
| Voltooid verleden tijd | had geïnstitueerd | had geïnstitueerd | had geïnstitueerd | hadden geïnstitueerd | hadden geïnstitueerd | hadden geïnstitueerd |
| Toekomende tijd II | zal geïnstitueerd hebben | zult geïnstitueerd hebben | zal geïnstitueerd hebben | zullen geïnstitueerd hebben | zullen geïnstitueerd hebben | zullen geïnstitueerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben geïnstitueerd | zou hebben geïnstitueerd | zou hebben geïnstitueerd | zouden hebben geïnstitueerd | zouden hebben geïnstitueerd | zouden hebben geïnstitueerd |
| Imperatief | - | institueer | - | - | institueert | - |
- instillatie
- instinct
- instinctief
- instinctieve reactie
- instinken
institueren
- institutie
- institutionaliseren
- institutionalizeren
- institutioneel
- instituut
- instomen
- instoppen
- instormen
- instorten
- instorting
- instoten
- instouwen
- instrijken
- instromen
- instructeur
- instructie
- instructie voor de pleiter
- instructief
- instructies
- instructies geven aan
- instructrice
- instrueren
- instrument
- instrumentaal
- instrumentalist

