search term:

infesteren

  has one meaning

Dutch Dutch

infesteren (algemeen)

English English

infest (algemeen)

German German

befallen (algemeen)

French French

infester (algemeen)

Spanish Spanish

infestar (algemeen)

Portuguese Portuguese

infestar (algemeen)

Swedish Swedish

hemsöka (algemeen)


Verb forms of infesteren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord infesterend und geïnfesteerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens infesteer infesteert infesteert infesteren infesteren infesteren
Imperfect infesteerde infesteerde infesteerde infesteerden infesteerden infesteerden
Toekomende tijd I zal infesteren zult infesteren zal infesteren zullen infesteren zullen infesteren zullen infesteren
Conditionalis I zou infesteren zou infesteren zou infesteren zouden infesteren zouden infesteren zouden infesteren
Perfectum ben geïnfesteerd bent geïnfesteerd is geïnfesteerd zijn geïnfesteerd zijn geïnfesteerd zijn geïnfesteerd
Voltooid verleden tijd was geïnfesteerd was geïnfesteerd was geïnfesteerd waren geïnfesteerd waren geïnfesteerd waren geïnfesteerd
Toekomende tijd II zal geïnfesteerd zijn zult geïnfesteerd zijn zal geïnfesteerd zijn zullen geïnfesteerd zijn zullen geïnfesteerd zijn zullen geïnfesteerd zijn
Conditionalis II zou zijn geïnfesteerd zou zijn geïnfesteerd zou zijn geïnfesteerd zouden zijn geïnfesteerd zouden zijn geïnfesteerd zouden zijn geïnfesteerd
Imperatief - infesteer - - infesteert -
translation - infesteren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000