Dutch
Portuguese
Verb forms of infekteren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | infekterend | und | geïnfekteerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | infekteer | infekteert | infekteert | infekteren | infekteren | infekteren |
| Imperfect | infekteerde | infekteerde | infekteerde | infekteerden | infekteerden | infekteerden |
| Toekomende tijd I | zal infekteren | zult infekteren | zal infekteren | zullen infekteren | zullen infekteren | zullen infekteren |
| Conditionalis I | zou infekteren | zou infekteren | zou infekteren | zouden infekteren | zouden infekteren | zouden infekteren |
| Perfectum | heb geïnfekteerd | hebt geïnfekteerd | heeft geïnfekteerd | hebben geïnfekteerd | hebben geïnfekteerd | hebben geïnfekteerd |
| Voltooid verleden tijd | had geïnfekteerd | had geïnfekteerd | had geïnfekteerd | hadden geïnfekteerd | hadden geïnfekteerd | hadden geïnfekteerd |
| Toekomende tijd II | zal geïnfekteerd hebben | zult geïnfekteerd hebben | zal geïnfekteerd hebben | zullen geïnfekteerd hebben | zullen geïnfekteerd hebben | zullen geïnfekteerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben geïnfekteerd | zou hebben geïnfekteerd | zou hebben geïnfekteerd | zouden hebben geïnfekteerd | zouden hebben geïnfekteerd | zouden hebben geïnfekteerd |
| Imperatief | - | infekteer | - | - | infekteert | - |
- infantilizeren
- infarct
- infecteren
- infecteren met
- infectie
infekteren
- infereren
- inferieur
- infernaal
- infesteren
- infiltratie
- infiltreren
- infinitief
- inflammatoir
- inflammeren
- inflateren
- inflatie
- inflatoir
- inflecteren
- inflekteren
- influenceren
- influenza
- influisteren
- info
- informant
- informante
- informatie
- informatie aanvragen over
- informatie geven aan
- informatie inwinnend
- informatief

