Dutch Dutch

no translation found for grossieren


Verbformen von grossieren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord grossierend und gegrossierd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens grossier grossiert grossiert grossieren grossieren grossieren
Imperfect grossierde grossierde grossierde grossierden grossierden grossierden
Toekomende tijd I zal grossieren zult grossieren zal grossieren zullen grossieren zullen grossieren zullen grossieren
Conditionalis I zou grossieren zou grossieren zou grossieren zouden grossieren zouden grossieren zouden grossieren
Perfectum heb gegrossierd hebt gegrossierd heeft gegrossierd hebben gegrossierd hebben gegrossierd hebben gegrossierd
Voltooid verleden tijd had gegrossierd had gegrossierd had gegrossierd hadden gegrossierd hadden gegrossierd hadden gegrossierd
Toekomende tijd II zal gegrossierd hebben zult gegrossierd hebben zal gegrossierd hebben zullen gegrossierd hebben zullen gegrossierd hebben zullen gegrossierd hebben
Conditionalis II zou hebben gegrossierd zou hebben gegrossierd zou hebben gegrossierd zouden hebben gegrossierd zouden hebben gegrossierd zouden hebben gegrossierd
Imperatief - grossier - - grossiert -
translation - grossieren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000