Dutch Dutch

no translation found for gondelen

English English

German German

French French

Italian Italian

Spanish Spanish

Portuguese Portuguese

Swedish Swedish



Verb forms of gondelen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord gondelend und gegondeld

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens gondel gondelt gondelt gondelen gondelen gondelen
Imperfect gondelde gondelde gondelde gondelden gondelden gondelden
Toekomende tijd I zal gondelen zult gondelen zal gondelen zullen gondelen zullen gondelen zullen gondelen
Conditionalis I zou gondelen zou gondelen zou gondelen zouden gondelen zouden gondelen zouden gondelen
Perfectum heb gegondeld hebt gegondeld heeft gegondeld hebben gegondeld hebben gegondeld hebben gegondeld
Voltooid verleden tijd had gegondeld had gegondeld had gegondeld hadden gegondeld hadden gegondeld hadden gegondeld
Toekomende tijd II zal gegondeld hebben zult gegondeld hebben zal gegondeld hebben zullen gegondeld hebben zullen gegondeld hebben zullen gegondeld hebben
Conditionalis II zou hebben gegondeld zou hebben gegondeld zou hebben gegondeld zouden hebben gegondeld zouden hebben gegondeld zouden hebben gegondeld
Imperatief - gondel - - gondelt -
translation - gondelen translate | Dutch dictionary