search term:

flagelleren

  has one meaning

Dutch Dutch

flagelleren (straf)

English English

flagellate (straf)

German German

geißeln (straf)

French French

cingler (straf) flageller (straf)

Italian Italian

flagellare (straf) frustare (straf) sferzare (straf)

Spanish Spanish

azotar (straf) dar latigazos a (straf) flagelar (straf)

Portuguese Portuguese

açoitar (straf) chicotear (straf) flagelar (straf)

Swedish Swedish

gissla (straf) piska (straf)


Verbformen von flagelleren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord flagellerend und geflagelleerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens flagelleer flagelleert flagelleert flagelleren flagelleren flagelleren
Imperfect flagelleerde flagelleerde flagelleerde flagelleerden flagelleerden flagelleerden
Toekomende tijd I zal flagelleren zult flagelleren zal flagelleren zullen flagelleren zullen flagelleren zullen flagelleren
Conditionalis I zou flagelleren zou flagelleren zou flagelleren zouden flagelleren zouden flagelleren zouden flagelleren
Perfectum heb geflagelleerd hebt geflagelleerd heeft geflagelleerd hebben geflagelleerd hebben geflagelleerd hebben geflagelleerd
Voltooid verleden tijd had geflagelleerd had geflagelleerd had geflagelleerd hadden geflagelleerd hadden geflagelleerd hadden geflagelleerd
Toekomende tijd II zal geflagelleerd hebben zult geflagelleerd hebben zal geflagelleerd hebben zullen geflagelleerd hebben zullen geflagelleerd hebben zullen geflagelleerd hebben
Conditionalis II zou hebben geflagelleerd zou hebben geflagelleerd zou hebben geflagelleerd zouden hebben geflagelleerd zouden hebben geflagelleerd zouden hebben geflagelleerd
Imperatief - flagelleer - - flagelleert -
translation - flagelleren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000