Dutch
Portuguese
Verbformen von fabrikeren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | fabrikerend | und | gefabrikeerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | fabrikeer | fabrikeert | fabrikeert | fabrikeren | fabrikeren | fabrikeren |
| Imperfect | fabrikeerde | fabrikeerde | fabrikeerde | fabrikeerden | fabrikeerden | fabrikeerden |
| Toekomende tijd I | zal fabrikeren | zult fabrikeren | zal fabrikeren | zullen fabrikeren | zullen fabrikeren | zullen fabrikeren |
| Conditionalis I | zou fabrikeren | zou fabrikeren | zou fabrikeren | zouden fabrikeren | zouden fabrikeren | zouden fabrikeren |
| Perfectum | heb gefabrikeerd | hebt gefabrikeerd | heeft gefabrikeerd | hebben gefabrikeerd | hebben gefabrikeerd | hebben gefabrikeerd |
| Voltooid verleden tijd | had gefabrikeerd | had gefabrikeerd | had gefabrikeerd | hadden gefabrikeerd | hadden gefabrikeerd | hadden gefabrikeerd |
| Toekomende tijd II | zal gefabrikeerd hebben | zult gefabrikeerd hebben | zal gefabrikeerd hebben | zullen gefabrikeerd hebben | zullen gefabrikeerd hebben | zullen gefabrikeerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gefabrikeerd | zou hebben gefabrikeerd | zou hebben gefabrikeerd | zouden hebben gefabrikeerd | zouden hebben gefabrikeerd | zouden hebben gefabrikeerd |
| Imperatief | - | fabrikeer | - | - | fabrikeert | - |
- fabriek
- fabrieken
- fabrieksarbeider
- fabrieksarbeidster
- fabrikant
fabrikeren
- fabuleren
- fabuleus
- face-lift
- face-à-main
- facet
- faciliteit
- facsimile
- facteur
- factie
- factor
- factotum
- factureren
- factuur
- facultatief
- faculteit
- faecaal
- faecaliën
- faeces
- fagot
- Fahrenheit
- failleren
- failliet
- failliet gaan
- faillissement
- fair

