search term:

extrapoleren

  has one meaning

Dutch Dutch

extrapoleren (algemeen)

English English

extrapolate (algemeen)

German German

extrapolieren (algemeen)

French French

extrapoler (algemeen)

Italian Italian

estrapolare (algemeen) extrapolare (algemeen)

Spanish Spanish

extrapolar (algemeen)

Portuguese Portuguese

extrapolar (algemeen)

Swedish Swedish

extrapolera (algemeen)


Verb forms of extrapoleren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord extrapolerend und geëxtrapoleerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens extrapoleer extrapoleert extrapoleert extrapoleren extrapoleren extrapoleren
Imperfect extrapoleerde extrapoleerde extrapoleerde extrapoleerden extrapoleerden extrapoleerden
Toekomende tijd I zal extrapoleren zult extrapoleren zal extrapoleren zullen extrapoleren zullen extrapoleren zullen extrapoleren
Conditionalis I zou extrapoleren zou extrapoleren zou extrapoleren zouden extrapoleren zouden extrapoleren zouden extrapoleren
Perfectum heb geëxtrapoleerd hebt geëxtrapoleerd heeft geëxtrapoleerd hebben geëxtrapoleerd hebben geëxtrapoleerd hebben geëxtrapoleerd
Voltooid verleden tijd had geëxtrapoleerd had geëxtrapoleerd had geëxtrapoleerd hadden geëxtrapoleerd hadden geëxtrapoleerd hadden geëxtrapoleerd
Toekomende tijd II zal geëxtrapoleerd hebben zult geëxtrapoleerd hebben zal geëxtrapoleerd hebben zullen geëxtrapoleerd hebben zullen geëxtrapoleerd hebben zullen geëxtrapoleerd hebben
Conditionalis II zou hebben geëxtrapoleerd zou hebben geëxtrapoleerd zou hebben geëxtrapoleerd zouden hebben geëxtrapoleerd zouden hebben geëxtrapoleerd zouden hebben geëxtrapoleerd
Imperatief - extrapoleer - - extrapoleert -
translation - extrapoleren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000