evangelist
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
- evaluatie
- evalueren
- evangelie
- evangelisch
- evangeliseren
evangelist
- evangelizeren
- evaporatie
- evaporeren
- even
- even ... als
- even opkoken
- even wachten
- evenaar
- evenals
- evenaren
- evenbeeld
- eveneens
- evenement
- evengoed
- evenmin
- evenredig
- eventjes
- eventjes indopen
- eventualiteit
- eventueel
- evenveel
- evenwaardig
- evenwel
- evenwicht
- evenwichtig

