Tools Enlarge font sizeNormal font sizeReduce font sizeShow/hide HelpPrint pageRecommend pageSearch evangeliseren in WikipediaSearch evangeliseren in Google UK Bookmark Add page to favouritesBookmark page at Mister Wong Bookmark page at Linkarena Bookmark page at Delicious Bookmark page at Yahoo Bookmark page at Google Words German wordsEnglish wordsFrench wordsSpanish wordsItalian wordsPortuguese wordsSwedish wordsDutch words

Search term: dutch evangeliseren has meanings

English

German

French

Italian

Spanish

Dutch

Portuguese

Swedish

Verb forms of evangeliseren

Usage - Separable -
Tegenwoordig en verleden deelwoord evangeliserend und geëvangeliseerd
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens evangeliseer evangeliseert evangeliseert evangeliseren evangeliseren evangeliseren
Imperfect evangeliseerde evangeliseerde evangeliseerde evangeliseerden evangeliseerden evangeliseerden
Toekomende tijd I zal evangeliseren zult evangeliseren zal evangeliseren zullen evangeliseren zullen evangeliseren zullen evangeliseren
Conditionalis I zou evangeliseren zou evangeliseren zou evangeliseren zouden evangeliseren zouden evangeliseren zouden evangeliseren
Perfectum heb geëvangeliseerd hebt geëvangeliseerd heeft geëvangeliseerd hebben geëvangeliseerd hebben geëvangeliseerd hebben geëvangeliseerd
Voltooid verleden tijd had geëvangeliseerd had geëvangeliseerd had geëvangeliseerd hadden geëvangeliseerd hadden geëvangeliseerd hadden geëvangeliseerd
Toekomende tijd II zal geëvangeliseerd hebben zult geëvangeliseerd hebben zal geëvangeliseerd hebben zullen geëvangeliseerd hebben zullen geëvangeliseerd hebben zullen geëvangeliseerd hebben
Conditionalis II zou hebben geëvangeliseerd zou hebben geëvangeliseerd zou hebben geëvangeliseerd zouden hebben geëvangeliseerd zouden hebben geëvangeliseerd zouden hebben geëvangeliseerd
Imperatief - evangeliseer - - evangeliseert -

evangeliseren - Translation of words, word sequences and short sentences into the languages German, Spanish, French, Italian, Dutch, Portuguese, Swedish