Dutch Dutch

no translation found for egalizeren


Verbformen von egalizeren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord egalizerend und geëgalizeerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens egalizeer egalizeert egalizeert egalizeren egalizeren egalizeren
Imperfect egalizeerde egalizeerde egalizeerde egalizeerden egalizeerden egalizeerden
Toekomende tijd I zal egalizeren zult egalizeren zal egalizeren zullen egalizeren zullen egalizeren zullen egalizeren
Conditionalis I zou egalizeren zou egalizeren zou egalizeren zouden egalizeren zouden egalizeren zouden egalizeren
Perfectum heb geëgalizeerd hebt geëgalizeerd heeft geëgalizeerd hebben geëgalizeerd hebben geëgalizeerd hebben geëgalizeerd
Voltooid verleden tijd had geëgalizeerd had geëgalizeerd had geëgalizeerd hadden geëgalizeerd hadden geëgalizeerd hadden geëgalizeerd
Toekomende tijd II zal geëgalizeerd hebben zult geëgalizeerd hebben zal geëgalizeerd hebben zullen geëgalizeerd hebben zullen geëgalizeerd hebben zullen geëgalizeerd hebben
Conditionalis II zou hebben geëgalizeerd zou hebben geëgalizeerd zou hebben geëgalizeerd zouden hebben geëgalizeerd zouden hebben geëgalizeerd zouden hebben geëgalizeerd
Imperatief - egalizeer - - egalizeert -
translation - egalizeren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000