Dutch
Portuguese
Verb forms of doorzitten
| - | door | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | doorzittend | und | doorgezeten |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zit door | zit door | zit door | zitten door | zitten door | zitten door |
| Imperfect | zat door | zat door | zat door | zaten door | zaten door | zaten door |
| Toekomende tijd I | zal doorzitten | zult doorzitten | zal doorzitten | zullen doorzitten | zullen doorzitten | zullen doorzitten |
| Conditionalis I | zou doorzitten | zou doorzitten | zou doorzitten | zouden doorzitten | zouden doorzitten | zouden doorzitten |
| Perfectum | heb doorgezeten | hebt doorgezeten | heeft doorgezeten | hebben doorgezeten | hebben doorgezeten | hebben doorgezeten |
| Voltooid verleden tijd | had doorgezeten | had doorgezeten | had doorgezeten | hadden doorgezeten | hadden doorgezeten | hadden doorgezeten |
| Toekomende tijd II | zal doorgezeten hebben | zult doorgezeten hebben | zal doorgezeten hebben | zullen doorgezeten hebben | zullen doorgezeten hebben | zullen doorgezeten hebben |
| Conditionalis II | zou hebben doorgezeten | zou hebben doorgezeten | zou hebben doorgezeten | zouden hebben doorgezeten | zouden hebben doorgezeten | zouden hebben doorgezeten |
| Imperatief | - | zit door | - | - | zit door | - |

