doorzagen
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of doorzagen
| - | door | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | doorzagend | und | doorgezaagd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zaag door | zaagt door | zaagt door | zagen door | zagen door | zagen door |
| Imperfect | zaagde door | zaagde door | zaagde door | zaagden door | zaagden door | zaagden door |
| Toekomende tijd I | zal doorzagen | zult doorzagen | zal doorzagen | zullen doorzagen | zullen doorzagen | zullen doorzagen |
| Conditionalis I | zou doorzagen | zou doorzagen | zou doorzagen | zouden doorzagen | zouden doorzagen | zouden doorzagen |
| Perfectum | heb doorgezaagd | hebt doorgezaagd | heeft doorgezaagd | hebben doorgezaagd | hebben doorgezaagd | hebben doorgezaagd |
| Voltooid verleden tijd | had doorgezaagd | had doorgezaagd | had doorgezaagd | hadden doorgezaagd | hadden doorgezaagd | hadden doorgezaagd |
| Toekomende tijd II | zal doorgezaagd hebben | zult doorgezaagd hebben | zal doorgezaagd hebben | zullen doorgezaagd hebben | zullen doorgezaagd hebben | zullen doorgezaagd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben doorgezaagd | zou hebben doorgezaagd | zou hebben doorgezaagd | zouden hebben doorgezaagd | zouden hebben doorgezaagd | zouden hebben doorgezaagd |
| Imperatief | - | zaag door | - | - | zaagt door | - |
- doorwinteren
- doorwoekeren
- doorwoelen
- doorwonden
- doorworstelen
doorzagen
- doorzakken
- doorzenden
- doorzetster
- doorzetten
- doorzetter
- doorzetting
- doorzettingsvermogen
- doorzeuren
- doorzeuren over
- doorzeven
- doorzicht
- doorzichtig
- doorzichtig plakband
- doorzichtigheid
- doorzieken
- doorzien
- doorzijgen
- doorzijpelen
- doorzitten
- doorzoeken
- doorzuipen
- doorzwelgen
- doorzwerven
- doorzweten
- doorzwikken

