doorweken
has one meaning
Dutch
English
German
Italian
Portuguese
Swedish
Verb forms of doorweken
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | doorwekend | und | doorweekt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | doorweek | doorweekt | doorweekt | doorweken | doorweken | doorweken |
| Imperfect | doorweekte | doorweekte | doorweekte | doorweekten | doorweekten | doorweekten |
| Toekomende tijd I | zal doorweken | zult doorweken | zal doorweken | zullen doorweken | zullen doorweken | zullen doorweken |
| Conditionalis I | zou doorweken | zou doorweken | zou doorweken | zouden doorweken | zouden doorweken | zouden doorweken |
| Perfectum | heb doorweekt | hebt doorweekt | heeft doorweekt | hebben doorweekt | hebben doorweekt | hebben doorweekt |
| Voltooid verleden tijd | had doorweekt | had doorweekt | had doorweekt | hadden doorweekt | hadden doorweekt | hadden doorweekt |
| Toekomende tijd II | zal doorweekt hebben | zult doorweekt hebben | zal doorweekt hebben | zullen doorweekt hebben | zullen doorweekt hebben | zullen doorweekt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben doorweekt | zou hebben doorweekt | zou hebben doorweekt | zouden hebben doorweekt | zouden hebben doorweekt | zouden hebben doorweekt |
| Imperatief | - | doorweek | - | - | doorweekt | - |
- doorwaden
- doorwandelen
- doorwarmen
- doorwasemen
- doorweekt
doorweken
- doorwerken
- doorwerken aan
- doorweven
- doorwinteren
- doorwoekeren
- doorwoelen
- doorwonden
- doorworstelen
- doorzagen
- doorzakken
- doorzenden
- doorzetster
- doorzetten
- doorzetter
- doorzetting
- doorzettingsvermogen
- doorzeuren
- doorzeuren over
- doorzeven
- doorzicht
- doorzichtig
- doorzichtig plakband
- doorzichtigheid
- doorzieken
- doorzien

